moeite haar hoofd rechtop te houden en greep ze een paar maal mis naar het wc-papier.
Het was het moment dat ze hevig begon te snikken. Moest je haar nu zien zitten, een
dronkenlap, zonder baan, bijna zonder huis, in een stad waar ze na een jaar nog steeds geen
vrienden had. En het was bijna kerst, haar favoriete periode van het jaar.
Ze stond op, probeerde haar onderbroek omhoog te trekken, maar wankelde en moest
steun bij de muur zoeken om niet te vallen.
‘Ktssoooii!’
Duizelend pakte ze haar laptop in, schommelde naar de bar om af te rekenen en deed een
poging om te zwaaien naar de barman.
‘Wacht! Zal ik een taxi voor je bellen?’
Lise hoorde hem al niet eens meer. Buiten was het venijnig koud, maar ze had er geen last
van. Het kostte haar enige moeite om het sleuteltje in haar fietsslot te krijgen en op te
stappen, maar toen ze eenmaal op de fiets zat, de wind in haar gezicht voelde, leek ze zelfs
in één rechte lijn te kunnen fietsen. Een beetje alsof ze vleugels had, zo voelde het, als ze het
rare getoeter van haar medeweggebruikers, die haar gedachten verstoorden, negeerde.
Ze was al bijna thuis, nog twee drukke straten en een plantsoen. In gedachten verzonken zag
Lise de tramrails over het hoofd. Haar voorband gleed erin en ze verloor de macht over de
fiets. Ze klapte over haar stuur en haar hoofd raakte hard het asfalt. Ze voelde door de dreun
haar tanden tegen elkaar klappen. In de verte hoorde ze gierende banden en piepende
remmen. Paniekerige stemmen om haar heen. Ze wilde haar ogen openen, maar het leek
alsof haar oogleden zaten vastgekleefd en toen voelde ze zich licht worden en daarna viel de
duisternis in.
‘Je bent wakker. Mooi zo.’