Het ritme bouwde zich op, traag en martelend eerst, alsof hij me dreef naar de rand zonder me eroverheen te laten gaan. Ik kreunde zacht tegen zijn oor, mijn adem schokkerig, mijn hart in razende cadans. Hij lachte hees, zijn lippen warm tegen mijn hals, zijn tanden die mijn huid kort vastpakten. Ik boog mijn rug, mijn lichaam bood zich volledig aan, smekend zonder woorden.
Toen hij zijn bewegingen versnelde, voelde ik hoe de golf zich onontkoombaar opbouwde. Mijn hele wezen spande zich samen, mijn nagels groeven zich in zijn schouders, mijn benen hielden hem gevangen tegen me aan. Het genot overspoelde me in golven, rauw en onstuitbaar, ik sidderde, kreunde, verloor mezelf volledig in hem. Zijn adem joeg zwaar langs mijn oor, zijn handen grepen me vast alsof hij me nooit meer los wilde laten, en samen stortten we neer in die zinderende, alles verterende stilte.
Uitgeput bleven we liggen, onze lichamen plakkend, dampend in de warmte. Hij streek langzaam mijn haren uit mijn gezicht, zijn ogen donker maar zacht, een glimlach die me opnieuw deed sidderen. Ik keek naar het balkon, naar de wiegende takken van de sinaasappelbomen, alsof ook zij getuigen waren van ons geheim.
Later, met een laatste glas wijn bij het open raam, voelde ik nog steeds de echo van zijn handen, zijn mond, zijn ritme in mijn lijf nagalmen. We zeiden weinig, want woorden waren niet genoeg. Alles wat ertoe deed, lag besloten in de muren van deze patio, in het fluisteren van de nacht, en in de herinnering van hoe we elkaar hadden verslonden.